Gent Conventen Bouge

Thomas van Villanovaklooster

Pakenstraat 65
3001 Heverlee - Leuven

Tel: [32] (0) 16 40 44 40
Fax: [32] (0) 16 40 57 33

E-mail: klooster.heverlee@augustijnen.be

Klooster- en parochiekerk, Zetel van het provincialaat, Zetel van de VZW Paters Augustijnen, Zetel van het Augustijns Historisch Instituut (AHI), Centrale Provinciebibliotheek

Stichting: 1946

De Geschiedenis van de Augustijnen te Leuven

Reeds in de eerste helft van de 13de eeuw vinden we augustijnen te Leuven. De stichtingsdatum kan niet met zekerheid bepaald worden. Volgens de meeste geschiedschrijvers woonden zij reeds in 1236 op de vismarkt bij een kapel, toegewijd aan Sint-Jan de Doper. De magistraat van Leuven en hertogin Adelaide hadden die kapel met een uitgestrekt terrein tussen de Kanaalstraat en de Dijle aan de augustijnen geschonken om er een klooster te bouwen. De kloosterkerk, gebouwd in de jaren 1265-1284, was toegewijd aan Sint-Jan de Doper. Later werd de kerk vergroot. Restauratiewerken werden o.m. uitgevoerd in 1404 en 1570, in 1634 vernieuwde men het interieur.

Het klooster van Leuven was een middelpunt van cultureel leven. Reeds in de Middeleeuwen bloeiden er de generale studies van de Orde. Met de Leuvense Alma Mater onderhielden de augustijnen steeds hartelijke betrekkingen. (De Leuvense Universiteit werd in 1425 opgericht in de refter van het Leuvense augustijnenklooster).
In 1447 liet prior Jan Godthebsdeel zijn klooster, dat toen 40 leden telde, bij de universiteit inlijven. De administratie van de universiteit vergaderde gewoonlijk in de grote refter van het klooster. Zeer dikwijls werden de godsdienstige feestelijkheden van de Alma Mater in de kloosterkerk gevierd, speciaal op de feestdag van Sint-Augustinus, de patroon van de studies. Toen in 1517 door invloed van Erasmus het beroemde college der drie talen gesticht werd, gaven de eerste professoren, allen humanisten, hun lessen in het augustijnenklooster.
In de 17de en 18de eeuw bloeide in dit convent vooral de theologische studie. Van 1612 tot 1743 doceerden de augustijnen ook de humaniora te Leuven. Een ruim, nieuw college werd in 1680 gebouwd in de Kanaalstraat (Vaartstraat). De Franse revolutie zorgde ook hier voor de ondergang. In 1796 werd het Leuvense klooster opgeheven en grotendeels gesloopt.
Maar na 150 jaar zijn de augustijnen te Leuven weergekeerd.

Stichting te Heverlee: 1946

Op 7 juni 1946 besloot de bestuursraad (definitorium) van de Belgische Provincie tot de aankoop van een huis in de buurt van Leuven. Er werd een villa aangekocht in de Hertogstraat te Heverlee. Op 19 juni gaf het aartsbisdom zijn toestemming, op 20 juli de Congregatie voor de Religieuzen en op 22 juli de Generale Curie.

Nog hetzelfde jaar zouden de eerste augustijnen-studenten zich aan de Leuvense Universiteit laten inschrijven. Op 9 augustus verleende het aartsbisdom zijn fiat voor de bouw van een klooster waarvan de kerk ook als parochiekerk zou functioneren. Het klooster zelf moest als studium worden ingericht. Naast eigen studenten zouden ook de studenten van andere augustijnenprovincies aan de Alma Mater te Leuven komen studeren. In 1954 is men met de bouw van de kerk begonnen. Op Kerstdag 1955 kon ze reeds in gebruik worden genomen en op 1 mei 1957 werd ze geconsacreerd. De parochie werd door het aartsbisdom opgericht in 1957 doch pas in 1965 door de Staat erkend.

De bouw van het klooster zelf begon in 1955. Het werd officieel geopend in 1956 zoals de gedenksteen boven de kloosterpoort in de hal aangeeft. Op 28 januari 1958 werd het theologicum van het Gentse augustijnenklooster Sint-Stefanus overgebracht naar Heverlee. In 1964 volgde het filosoficum en in 1967 het noviciaat. Slechts één vierde van het klooster werd voltooid. Intussen was immers de teruggang van roepingen in het religieuze leven begonnen, waardoor het akkoord met de andere augustijnse provincies omtrent de opleiding niet kon worden uitgevoerd. De sterke sociale en culturele veranderingen in de Westerse wereld veroorzaakte een toenemende secularisatie die Kerk en kloosterleven in een diepe crisis deden belanden. Het aantal roepingen verminderde sterk en in de jaren 1960 - 1970 traden veel kloosterlingen uit.

Studie en Gemeenschapsleven

Het St.- Tomas van Villanovaklooster werd opgericht als een studiehuis en is dit tot op de dag van vandaag gebleven. In de beginjaren lag de klemtoon hoofdzakelijk op de opleiding van jonge medebroeders in het theologicum. Tot in 1963 zouden de augustijnen de opleiding zelf kunnen verzorgen. Daarna werd ze buitenshuis georganiseerd tezamen met andere ordes en congregaties.
Ondertussen kwamen er toch studenten vanuit andere augustijnse provincies. Zowel vanuit Nederland, Spanje, de Verenigde Staten, Australië als de Phillipijnen namen jonge augustijnen hun intrek in het convent om aan de Katholieke Universiteit te studeren. Daardoor kreeg het convent een internationaal karakter.

Toen vanaf de jaren ’70 het aantal eigen studenten een dieptepunt bereikte, vatte men het plan op ook gewone studenten van de universiteit in het augustijnse leven te betrekken. De doel was om lekenstudenten op een concrete manier kennis te laten maken met de spiritualiteit van Augustinus. Alleen jonge mensen die echte interesse voor gemeenschapsleven hadden, zouden worden toegelaten. Zij moesten immers samen met de medebroeders leven. Een brede integratie werd dus verondersteld. Ze zouden enkele kleine taken in de gemeenschap op zich moeten nemen en op gepaste tijden deelnemen aan het gebedsleven en het gemeenschapsleven zelf. Van de kant van de medebroeders werd een openheid gevraagd die overigens niet vreemd was aan het augustijnse leven. Want ze was een concrete toepassing van de grondinspiratie van het augustijnse leven, nl. de gastvrijheid.
Sinds die tijd hebben studenten de mogelijkheid om onder die voorwaarde aan te sluiten bij de gemeenschap. Aan de gemeenschap geeft het de mogelijkheid om de augustijnse spiritualiteit beter bekend te maken. Deze manier van samenleving heeft de geest in het convent positief beïnvloed.

Het St-Thomasconvent herbergt ook het Augustijns Historisch Instituut. In 1952 startte P. Norbertus Teeuwen o.s.a. het tijdschrift Augustiniana op. Het doel van het tijdschrift was de bestudering van de Augustijnse geschiedenis. In de eerste jaren waren publicaties omtrent deze geschiedenis van de augustijnen en het augustinisme dan ook de belangrijkste onderwerpen.
Onder impuls van Prof. T.J. Van Bavel o.s.a. werden de studies over Augustinus mettertijd een meer kenmerkend deel van het tijdschrift, zodat het uitgroeide tot een gerenomeerd Augustinus-tijdschrift. Naast het tijdschrift, is er ook een omvangrijke bibliotheek die hoofdzakelijk afgestemd is op de publicaties van en over Augustinus.
In de negentiger jaren groeide er een nauwe samenwerking met de Theologische faculteit van de Katholieke Universiteit van Leuven wat o.a. resulteerde in de opname van het boekenbestand van de bibliotheek op de Dobis-Libis databank van de universiteit. De bibliotheek heeft daarom een grote toegankelijkheid en wordt door studenten regelmatig bezocht. Vooral de studenten en doctorandi die studeren over Augustinus vinden er hun gading, mede omdat er zich in het instituut een zeer uitgebreide en exclusieve Augustinusbibliografie bevindt. Sedert 1950, opgestart door P. Van Bavel in samenwerking met P. F. Vanderzande is deze bibliografie nauwkeurig verder gezet door de medewerkers aan het instituut: P. B. Bruning en P. J. Van Houtem.

Apostolaat

Onmiddellijk verbonden aan het klooster, staat de parochie- en kloosterkerk O. L. Vrouw van Troost. Ze is in neo-romaanse stijl gebouwd. De gewelfschilderingen en de kruisweg zijn van de hand van de augustijnse medebroeder en schilder P. Leo Coppens.
Het parochieleven en het apostolaat begon met de bouw van de kerk in 1957. Het parochieleven kende een sterke dynamiek, eigen aan een jonge parochie. Er groeiden allerlei sociale en christelijk geïnspireerde bewegingen zoals K.A.V. K.W.B., Chiro en Scouts. Ook een knapenkoor ‘de orgelpijpjes’ werd opgericht. Onder impuls van de dirigent G. Konings groeide dit koor uit tot een groot gemengd kinderkoor dat enige faam verwierf.
Naast de pastoor L. Claessens, werkten ook jonge medebroeders sporadisch mee op de parochie, vooral in de jeudbewegingen. In 1968 ontwikkelde er zich uit de jeugdvieringen een tweede koor Wodan Skalden. Ook dit koor zingt, tot op vandaag, regelmatig tijdens de liturgische diensten. In het kader van de liturgische vernieuwingen, heeft het convent altijd een inspirerende rol gespeeld.
Na de dood van de eerste pastoor werd het pastoraat door een aantal medebroeders in groep (in solidum) uitgeoefend. Catechesewerking zowel voor jongeren als volwassenen zagen het licht in deze tijd. Daarna kende de parochie weer voor korte tijd het pastoorschap van één man. Sinds kort werd opnieuw het in solidum-verband opgenomen. Altijd weer werden mensen bereid gevonden om samen met de medebroeders, het parochieleven te dragen en te verzorgen.

Leden van de Gemeenschap

P. Bernard Bruning
prior, provinciaal raadslid, directeur Augustijns Historisch Instituut, pastor (in solidum)
P. Gerben Jan Bruins,
subprior, secretaris van de provincie (ad interim), provinciaal raadslid, sacrista, leraar aan H- Hart- Instituut te Heverlee, pastor (in solidum)
P. Wilfried Joosten
sacrista, provinciaal econoom, voorzitter van de Algemene vergadering van het Sint Ritacollege, pastor (in solidum)
P. Tarcisius van Bavel
Professor emeritus, conventualis, medewerker Augustijns Historisch Instituut
P. Jozef Van Houtem
pastor (in solidum).
P. Fred Verstappen
conventualis, medewerker Augustijns Historisch Instituut
Br. Alfons Buelens
conventualis
Br. Jules Beullens
koster, portier

Extra Conventus
P. Wilhelmus Jonk
Br. Emiel Jacobs

Gent Conventen Bouge