Vorige De Biografie van Augustinus Volgende

Augustinus Karakter

Intellect en Hart

De jonge Augustinus beschrijft zichzelf als volgt: "Ik leefde en dacht en zorgde voor mijn zelfbehoud. Een innerlijk instinct zei me te zorgen voor de integriteit van mijn zintuigen, en zelfs in mijn kleine gedachten over kleine dingen verheugde ik mij om de waarheid. Ik haatte het bedrogen te worden, ik ontwikkelde mijn geheugen, de manier om mij uit te drukken kreeg vorm, vriendschap boeide mij. Ik vluchtte pijn, gemeenheid en onwetendheid. Ieder van deze kwaliteiten is een gave van mijn God; ik heb ze mijzelf niet gegeven. Het zijn goede kwaliteiten, en hun geheel ben ikzelf". In zijn leven vinden we deze eigenschappen terug.

Hij was heel gevoelig, emotioneel en gepassioneerd. Al was hij een intellectueel, men vindt in hem geen droge, rationele afstandelijkheid. Al hield hij van zelfbeheersing, we vinden geen spoor van overdreven gestrengheid. Ook al beklemtoonde hij steeds de relativiteit van de geschapen dingen, hij ontkent nooit de rijkdom van het bestaan of de pracht van de wereld. Altijd gaan intellect en hart samen. Daarom behoren liefde, gemeenschap en vriendschap tot de kern van zijn leven en denken. Een oppervlakkige lezing van de Belijdenissen zou de indruk kunnen wekken dat Augustinus een in zichzelf gekeerd man was, altijd bezig met zelf-analyse. Integendeel, men is verbaasd te zien dat deze man nagenoeg nooit alleen was. Hij geeft zelf toe dat hij niet gelukkig kon zijn zonder vrienden. Een vriendschap kon hem de helft van zijn ziel kosten, maar het was ook door vriendschap dat zijn wonden konden genezen. Hij moet iets gehad hebben van de aangeboren zin van de Afrikanen voor solidariteit.

Passie voor de Waarheid

"Alleen de waarheid behaalt de overwinning, maar de overwinning van de waarheid is liefde" (Preek 385,1). De passie voor de waarheid maakte Augustinus een vasthoudende gesprekspartner die zijn inzicht niet vlug opgaf. Maar buiten de vele debatten die hij voerde, legde hij een grote bescheidenheid aan de dag. Op hoge ouderdom verbeterde hij zijn geschriften en verklaarde: "Ik wil niet dat iemand al mijn meningen aanvaardt en mij blind volgt, behalve dan op die punten waar de lezer zelf tot de overtuiging gekomen is dat ik het niet verkeerd voor had. Niet eens ikzelf ben mijzelf gevolgd in alle opzichten. Ik heb boeken geschreven terwijl ik voortdurend vooruitgang maakte. Maar ik ben niet bij de volmaaktheid begonnen en beweren dat ik nu, op mijn oude dag, volmaakt en zonder enige dwaling schrijf zou eerder getuigen van verwaandheid dan van waarheidsliefde". In een brief aan een meisje met de mooie naam Florentina schreef hij: "Je mag niet denken dat je bij mij een antwoord gaat vinden op al je vragen en op alles wat je zou willen weten. Ik heb mij immers niet aangeboden als een volmaakt leraar die alles weet, maar als een man die op zoek is naar licht tezamen met hen aan wie hij volgens zijn roeping licht moet schenken. Denk aan het gevaar waarin wij verkeren, wij van wie men verwacht dat wij niet alleen leraars zijn, maar zelfs leraars van goddelijke zaken, ook al zijn wij simpele menselijke wezens".

Vorige De Biografie van Augustinus Volgende