Vorige De Biografie van Augustinus Volgende

De Evolutie van de Jonge Augustinus

De Student en zijn Minnares

Na zijn lagere opleiding te Tagaste ging Augustinus voor middelbaar onderwijs naar Madauros, een meer intellectueel centrum dan Tagaste. Toen hij zestien jaar was, keerde hij terug naar Tagaste en bleef een jaar thuis om zijn vader de gelegenheid te geven geld bijeen te brengen voor zijn hoger onderwijs in Karthago. Het was een jaar van leeglopen: "De doornen van de wellust groeiden mij boven het hoofd en er was geen hand om hen uit te rukken". Met de hulp van zijn mecenas, Volusianus, ging hij in 370 naar Karthago om retorica te studeren, de hoogste graad van de toenmalige cultuur, die toegang gaf naar de schitterendste politieke loopbaan. Als metropool van Afrika en de grootste stad van het Westen na Rome was Karthago ook een smeltkroes van ongeoorloofde liefdes. Omdat Augustinus naar liefde verlangde, zocht hij een voorwerp voor zijn liefde: "Ik was verliefd op de liefde. Het was mijn verlangen te beminnen en bemind te worden, vooral wanneer ik kon genieten van het lichaam van de persoon die mij beminde". Hij ging een relatie aan met een concubine van lagere stand, aan wie hij trouw bleef in een verbond dat ongeveer veertien jaar duurde. Nooit evenwel vermeldt hij haar naam. Zij kregen een zoontje, Adeodatus (= een gave van God), dat jong stierf op achttienjarige leeftijd. Augustinus' relatie met zijn concubine was wel wettelijk erkend, maar slechts als een soort tweede-klas huwelijk.

Het was ook in Karthago dat Augustinus op negentienjarige leeftijd zijn filosofische roeping ontdekte. Hij las een werk van Cicero dat de liefde voor de wijsheid propageerde. Het zoeken naar waarheid en wijsheid is hem heel zijn leven blijven inspireren. Maar wat hij miste bij de filosofen was de naam van Christus. Daarom begon hij de heilige Schrift te lezen, maar de stijl ervan stootte hem af. Veel later, toen hij een monnik en christelijk filosoof was, ging zijn jeugdideaal van overgave aan de wijsheid in vervulling.

Aanhanger van het Manicheïsme

Nog in Karthago sloot Augustinus zich aan bij de manicheeërs als "toehoorder". Waarom hij zich daartoe aangetrokken voelde, had verschillende redenen. Het manicheïsme pretendeerde een rationele godsdienst te zijn die inzicht gaf en geen geloof eiste zoals de katholieke kerk. De manicheïstische kritiek van het Oude Testament kwam tegemoet aan Augustinus' afkeer van sommige passages daarin. In hun liturgie gebruikten de manicheeërs de namen van God, Jezus Christus en de heilige Geest; er was dus een zekere verwantschap met het christendom. Zij beweerden ook een antwoord te hebben op het probleem van het kwaad, een probleem dat de jonge Augustinus erg kwelde. Zij beleden twee eeuwige, maar aan elkaar tegengestelde, princiepen: goed en kwaad, licht en duisternis die altijd in strijd met elkaar waren. In hemzelf voelde Augustinus sterk de spanning tussen goed en kwaad, tussen zuiverheid en zonde, die hem schuldgevoelens bezorgde. Innerlijke onvrede en onrust leidde hem tot het manicheïsme dat hem tot op zekere hoogte ook bevrijdde van zijn schuldgevoelens: "Ik dacht toen dat wij het niet zijn die zondigen, maar een of andere vreemde natuur in ons. Het streelde mijn trots vrij te zijn van schuld en wanneer ik iets slechts gedaan had, dat ik niet aan U hoefde te vragen om mijn ziel te helen, omdat zij tegen U gezondigd had. Ik hield ervan mijzelf te verontschuldigen en een onbekende macht die in mij was te beschuldigen, maar niet mijzelf". Gedurende tien jaren bleef Augustinus een manicheeër, ook al verkoelde zijn enthousiasme voor het manicheïsme steeds meer.

Professor van Retorica in Italië

Rond 374 keerde Augustinus terug naar Tagaste om er grammatica te onderwijzen, maar niet voor lang. Spoedig vertrok hij weer naar Karthago nu als leraar in retorica. De houding van de Karthaagse studenten was beneden alle peil, ongedisciplineerd en vol vandalenstreken. Daarom besliste hij naar Rome te gaan, want mensen die het konden weten, verzekerden hem dat die dingen daar niet voorkwamen. Zijn moeder was er erg op tegen, maar de ambitie van haar zoon was sterker. In Rome sloot Augustinus zich aan bij de lokale manicheïstische gemeenschap. Hij gaf les maar stelde vast dat de Romeinse studenten hun professoren niet betaalden ondanks al hun beloften. Milaan liet Rome weten dat men een professor van retorica zocht. Met de hulp van zijn manicheïstische vrienden kreeg Augustinus in 384 die post. Op dat moment was Milaan de keizerlijke residentie en de stad waar Ambrosius bisschop was. Augustinus kon niet voorzien dat Milaan ook het einde van zijn professoraat zou zijn. Hij zag af van iedere politieke loopbaan en bekeerde er zich tot het christendom.

Vorige De Biografie van Augustinus Volgende