| Vorige | De Biografie van Augustinus | Volgende |
Monnica had ervoor gezorgd dat Augustinus als pasgeboren baby getekend was met het kruisteken en wat zout had ontvangen; daardoor was hij als katechumeen verbonden met de katholieke kerk. Vele christelijke ouders stelden het doopsel van hun kinderen uit vanwege de strengheid om vergiffenis te krijgen van ernstige zonden na het doopsel. Velen werden maar gedoopt op hun sterfbed. Twee redenen weerhielden er Augustinus van zich te laten dopen, een van morele aard en een van intellectuele aard. Nu was het zaak deze obstakels uit de weg te ruimen. Onder druk van zijn moeder die voor haar zoon een eerste-klas huwelijk wenste, kwam er een einde aan de relatie met zijn vrouw. Monnica vond voor hem een andere vrouw, een meisje van slechts tien jaar dat nog twee jaar moest wachten om te kunnen trouwen. Augustinus' gevoelens waren anders. Hij had zijn vrouw echt liefgehad en de scheiding sloeg ernstige wonden: "Mijn hart dat ten diepste aan haar gehecht was, was opengereten en gewond, en er drupte bloed uit. Zij keerde naar Afrika terug met de belofte dat zij nooit een andere man zou kennen". Augustinus was ongelukkig en voelde zich niet in staat haar voorbeeld na te volgen. Daarom koos hij een andere concubine. Maar dat gaf hem geen verlichting zoals hijzelf bekent: "De wonde toegebracht door de scheiding van mijn eerste vrouw, was niet genezen. Na ontstoken te zijn en hevige pijn, etterde de wonde. De pijn maakte mij als het ware ongevoelig, maar ook wanhopig". Voor Augustinus hield bekering meer in dan een eerzaam huwelijk; zij leidde tot een ascetisch monastiek ideaal.
Augustinus' intellectuele moeilijkheden waren gecompliceerder. Lange tijd beschouwde hij het katholieke geloof goed voor eenvoudige zielen zoals die van Monnica. Hij stelde daarentegen al zijn vertrouwen in de macht van de rede; hij verlangde begrip en inzicht op eigen kracht. Hij was een rationalist in de volle zin van het woord. De manicheeërs beloofden hem inzicht in de levensmysteries zonder dat er geloof nodig was. Geloof maakten zij belachelijk. Ten onrechte volgens Augustinus, want ze bevalen hem in hun vele mythen te geloven: "Ik kreeg het bevel in Mani te geloven". Dat was genoeg om Augustinus' rationalisme te ondermijnen. Daarom gaf hij ook zijn voorkeur aan het katholieke geloof want de kerk was oprechter door geloof te vragen in zaken die niet bewezen konden worden. Zo ontdekte hij ook de enorme rol die geloof speelde in het dagelijks leven: hoeveel dingen hij geloofde die hijzelf niet gezien had, gebeurtenissen waarbij hij niet aanwezig was, voorvallen uit de wereldgeschiedenis, feiten aangaande plaatsen en steden die hij nooit bezocht had, dingen die hij aannam op gezag van vrienden, van doktoren of andere mensen. Daaruit trok hij de conclusie: als wij niets geloven van wat ons gezegd is, zouden we nooit van zijn leven tot actie overgaan.
Nadat hij zijn geloof in het manicheïsme verloren had, verviel hij in een korte crisis van scepticisme want hij wanhoopte zelfs aan de mogelijkheid om de waarheid te vinden. Is niet ieder ding onderhevig aan twijfel? Ligt begrijpen van de waarheid niet buiten het menselijke vermogen? Deze crisis bereidde eveneens de grond voor Augustinus' bekering.
Veel personen droegen bij tot Augustinus' bekering, maar vooral de bisschop van Milaan, Ambrosius. Zijn invloed gebeurde niet door persoonlijk contact, maar eerder door zijn preken, waardoor Augustinus ontdekte hoeveel het christelijk geloof verschilde van wat hij zich voorgesteld had. Hij leerde Augustinus hoe bijbelteksten geïnterpreteerd dienden te worden en leidde hem binnen in geheel nieuwe ideeën: "Ik stelde herhaaldelijk vast in de preken van onze bisschop ... dat wanneer wij denken over God en de ziel ( iets dat in de wereld het dichtst bij God staat), onze gedachten niet mogen blijven hangen bij een of andere lichamelijke zaak". De lezing van de boeken van neoplatonische filosofen gaf hem een dieper inzicht in de wereld van de geest, en gaf hem bovendien een antwoord op het kwellende probleem van het kwaad. Vrienden vertelden hem verhalen over beroemde bekeerlingen die het christendom als levensstijl gekozen hadden.
Zo kwam Augustinus tot de welbekende persoonlijke crisis in de tuin van zijn huis in Milaan. Daar hoorde hij een gezang uit een naburig huis, als van een jongen of een meisje dat steeds maar herhaalde : "Neem en lees, neem en lees". Hij interpreteerde die woorden als een bevel voor hemzelf, opende de bijbel en las de eerste de beste passage: "Niet in braspartijen en drinkgelagen, niet in ontucht en losbandigheid, niet in twist en nijd, maar bekleed u met de Heer Jezus Christus en vertroetel het vlees niet langer met zondige begeerten" (Rom. 13,13-14). Het was geen toeval dat een tekst van de grote bekeerling, Paulus, tot de kern van Augustinus' bekeringsverhaal behoorde. Gedurende heel Augustinus' leven was de invloed van Paulus heel groot, en zijn latere theologie en spiritualiteit vertoonde een sterke verwantschap met Paulus, zoals de verhouding tussen wet en genade, de gevolgen van de oorsprongszonde, de visie op Adam en Christus, het thema van het Lichaam van Christus.
Na de vakantie van 386 gaf Augustinus zijn professoraat op, en trok zich terug op het platteland in Cassiciacum om te studeren, te schrijven en zich voor te bereiden op het doopsel. Op de vigilie van Pasen 387 doopte Ambrosius hem tezamen met zijn zoon Adeodatus en zijn vriend Alypius. Augustinus had de sprong gewaagd: "Waarom wil je vertrouwen op jezelf? Om jezelf onbetrouwbaar te vinden? Werp jezelf in zijn armen; wees niet bang. Hij zal zichzelf niet terugtrekken zodat je valt. Maak de sprong zonder angst; Hij zal je opvangen en genezen".
| Vorige | De Biografie van Augustinus | Volgende |